Twee mannen sjokken langs de vangrail

Twee mannen sjokken langs de vangrail. Vreemd, want het is duidelijk niet bestemd voor voetgangers. Er is geen andere auto op de parkeerplaats te bekennen, maar misschien staan ze verderop geparkeerd, op het vrachtwagendeel van de Franse Aire.

De kans is klein.

We zijn al onderweg naar het toiletgebouw als ik besluit terug te lopen. De mannen hebben geen aandacht voor ons. Toch, het voelt eigenaardig en er zit genoeg van waarde in de Saab.

Ik hou ondanks een volle blaas de wacht, mijn man houdt over zijn schouder de wandelaars in de gaten.

Hij duwt de deur van het toiletgebouw open, werpt een blik om de hoek. Is het een hurktoilet, hebben ze er wc-papier? Belangrijke vragen. Hij schudt zijn hoofd, trekt zijn neus op, draait weer om.

‘Daar wil je het niet eens proberen, de schijt ligt over de vloer heen verspreid.’

Het tweetal is nog steeds aan de wandel, wij stappen weer in de auto. Als we langs ze rijden kijken ze niet op.

Inmiddels weten we vrij zeker: dit zijn vluchtelingen. We beseffen opeens dat we in de buurt van Calais zijn en we kennen de verhalen over migranten die in vrachtwagens kruipen, over de hekken klimmen of op een trein springen. Om in Engeland, aan hen voorgespiegeld als walhalla, een nieuw leven op te bouwen. Elke vluchteling (veelal man, maar er zijn ook genoeg vrouwen en zelfs kinderen) riskeert zijn of haar leven om dit doel te bereiken. Voor hen zijn twee Nederlanders in een normale auto volkomen oninteressant.

We rijden langs het vrachtwagendeel van de parkeerplaats. In de gauwigheid spotten we twee politieauto’s en een groep mannen. Geen vrachtwagen te bekennen.

Een minuut of wat later staat een lange rij vrachtwagens stil op de afslag naar de Kanaaltunnel. Mannen lopen er tussendoor. Een paar per truck, tasje in de hand of rugzak over de schouder, maar nog veel vaker zonder bagage. Schijnbaar doelloos maar eigenlijk doelgericht.

Een indrukwekkend gezicht. Dit is het eind van de rij, dichter bij de tunnel zullen het meer mannen zijn, zullen ze wellicht fanatieker zijn, desperater.

De mannen bij de vrachtwagens jagen de chauffeurs bij tijd en wijle de stuipen op het lijf als wanhoop omslaat in agressiviteit. Als ze over de snelweg rennen terwijl een truck niet meer kan remmen, of op de cabinedeur bonken. Als ze onder de vrachtwagen hangen, of van een viaduct klimmen. De gendarmerie heeft de handen vol aan migranten. Regelmatig kosten de oversteekpogingen levens.

Terwijl wij doorrijden naar ons kampeeradres in Bretagne, kamperen de vluchtelingen noodgedwongen in de het bos rond Calais. De jungle heet het ook wel. Maar als wij na een paar dagen relatieve kou de boel inpakken en een nachtje hotel pakken, zitten zij nog in hun geknutselde hut of tent, zonder elektriciteit of stromend water. En dat zal in de zomer wel te doen zijn, maar in de winter is het een ander verhaal.

Als je bedenkt dat hen verteld is dat het in Groot-Brittanië beter zal worden, dat ze niet meer in provisorische, stinkende, ziekteverwekkende omstandigheden hoeven te leven?

Dat ze na de gevaarlijke reis over land en zee, na de bedreigende (oorlogs)situatie, na een opgejaagd leven eindelijk in vrede kunnen wonen?

Begrijp je het dan niet een heel klein beetje?

Ik ook.

PS: was je antwoord ‘nee’? Lees dan vooral dit stuk eens

Delen
Share on FacebookShare on LinkedInTweet about this on TwitterShare on Google+Email this to someone
'