Te zijn of te wezen, dat is de vraag

Je kunt het woord wezen vaak prima gebruiken in plaats van het woord zijn. Het zijn namelijk synoniemen. Wezen bestaat zeker al sinds de tiende eeuw, zijn is wat jonger. Als sinds de twaalfde eeuw worden de termen door elkaar gebruikt, meldt Onze Taal. Maar er zijn uitzonderingen. Wanneer gebruik je wezen, wanneer zijn, en wanneer kan beide?

 


Volgens Onze Taal is wezen informeler dan zijn en ook volgens Taalunieversum is het spreektaal. Daardoor is het al makkelijk om een eerste selectie te maken tussen wezen en zijn bij het schrijven van bijvoorbeeld een e-mail.

 

Simpel gezegd:

 

  • – Mail aan een vriend of familielid: gebruik het woord wezen als je dat wilt, maar hou er rekening mee dat het erg informeel is.
  • – Mail aan baas, collega, ander zakelijk of formeel contact: gebruik zoveel mogelijk zijn.

Voorbeelden van zinnen waarin je zowel wezen als zijn kunt gebruiken:

 

  • – Waar zou Maria toch wezen/zijn? (Dus: als je het hele werkwoord gebruikt)
  • – Wezen/zijn jullie eens rustig, Hans en Johan! (Dus: bij een aansporing)
  • – Ik ben benieuwd hoe het concert zal wezen/zijn (Dus: bepaalde gevallen van de onbepaalde wijs)

Soms is het niet mogelijk om wezen te gebruiken. Gebruik alleen zijn bij:

 

  • – Wij zijn aanwezig/Jullie zijn aan het dromen/Zij zijn er niet helemaal bij (Dus: de eerste, tweede en derde persoon meervoud in de tegenwoordige tijd)

Op andere momenten past zijn weer niet. Gebruik alleen wezen bij:

 

  • – Hij is daar wezen kijken.
  • – Wees niet bang. (Dus: gebiedende wijs van zijn)
  • – Dat kan wel wezen, maar ….
Bronnen:
Opmerkingen of vragen? Een andere taalkwestie die je kwijt wilt? Laat een reactie achter.